Van wie is de tijd?

Lezing op symposium over cognitie in kunst en wetenschap,
Groningen, 3 oktober 2008.

Door Joke J. Hermsen

Van wie is de tijd? Op zich lijkt dit een eenvoudige, bijna overbodige vraag. De tijd is van ons, zou je zeggen, want de tijd is van een ieder die leeft. Leven zou je simpelweg als de hoeveelheid tijd die iemand toebedeeld krijgt kunnen omschrijven, tegenwoordig als je geluk hebt zo’n vijfenzeventig jaar. Dit antwoord zegt welliswaar iets over de verwachte duur van de tijd waarover we gemiddeld tijdens ons leven menen te kunnen beschikken, maar vertelt ons nog weinig over de ervaring van die toegemeten portie tijd zelf. Deze ervaring is de afgelopen honderdvijftig jaar tamelijk ingrijpend veranderd. De verregaande industrialisering en technologisering van de maatschappij heeft de tijd van een min of meer natuurlijk, biologische ritme in een strak geuniformeerd tijdregime veranderd. Tot aan het vastleggen van het internationale ijkpunt voor tijdmeting in Greenwich in 1884, bepaalden lokale, meestal op atronomische waarnemingen gebaseerde tijdmetingen, onze kalender. De verfijning van het mechanische uurwerk sinds de 14 e eeuw werd lange tijd als het symbool voor menselijk vernunft, geestkracht en precisie toegejuicht. Maar met de invoering van de standaard Greenwich tijd, die onder meer noodzakelijk was voor de de internationale regulering van het opkomend treinverkeer, werd de tijd meer en meer als een abstract en van buitenaf opgelegd dwangregime gezien. De introductie van fabrieksfluiten en prikklokken versterkten die ervaring nog meer. Waar het mechanische uurwerk in voriger eeuwen nog bijna als een goddelijke uitvinding werd gezien, krijgt dezelfde klok vanaf het einde van de 19e eeuw steeds duivelser trekken en verwordt deze langzamerhand tot het symbool voor rigiditeit, dwang en zelfs tirannie. Schrijvers als Edgar Allen Poe en Charles Baudelaire zagen de klok als een ‘sinistere god’, die de mens in een strak gareel gevangen houdt en zijn levensruimte inperkt en bedreigt. De mens wordt geknecht en opgedreven door de tijd of is verwikkeld in een gigantisch gevecht met de tijd, zoals de hoofdpersoon in Charlie Chaplin’s film Modern Times.

Hoe meer tijdsbesparende machines er sinds die eerste kritische geluiden ook bij zijn gekomen, hoe minder tijd we niettemin lijken te hebben. De tijd is in deze dagen zelfs het schaarsteproduct bij uitstek geworden. Tijd is een economisch principe geworden, dat naar economische maatstaven voortdurend benut, ingevuld en rendabel gemaakt moet worden. Onder een voortdurende aansporing van meer produktie, meer winst en meer consumptie, lijkt niet alleen de tijd maar ook de economie op hol te zijn geslagen, met alle rampzalige gevolgen van dien, zoals we die de afgelopen weken hebben mogen aanschouwen. Zelfs de door werknemers vurig bevochten vrije tijd wordt in toenemende mate aan consumptieve handelingen besteed, zoals we in de documentaire Pretpark Nederland kunnen zien. Vrije tijd is letterlijk tijdverdrijf geworden, het verdrijven van de lege uren van de vrije tijd. Als er ook maar een moment van verveling dreigt, zappen we snel door naar een volgend opwindingsmoment Alsof verveling en lege tijd ons dermate vreemd zijn geworden, dat ze ons angst inboezemen.

De filosoof Hans Achterhuis schreef in een speciale bijlage van de Volkskrant over tijd van enkele jaren geleden dat de huidige tijdsdruk ook een zorg van de politiek is geweest. Zo werd tegen het einde van de regering van Paars 2 aan de toenmalige minister van VROM, Pronk, voorgesteld, aan zijn ministerie ook ‘tijd’ toe te voegen. Want er heerste immers een permanente tijdschaarste, ja, zelfs tijdsarmoede, zo vond de regering, en daar moest iets aan gedaan worden. Pronk weigerde, omdat hij de tijd iets van de mensen persoonlijk vond, het behoorde volgens hem aan de persoonlijke levensfeer van de mensen toe. Dat verhulde volgens Achterhuis echter wel de afstand tussen deze mooie ideologische woorden en de maatschappelijke werkelijkheid. De tijd behoort al lang niet meer tot de persoonlijke levenssfeer, want als er iets karakteristiek is voor het bestaan van de 21e mens, dan is het wel de steeds sterker van buitenaf opgevoerde tijdsdruk.

We willen wel onthaasten, rust vinden, consuminderen en vertragen, maar het lijkt ons niet goed te lukken. En toch wordt rust en niets doen van oudsher als `de grondslag van beschaving’ gezien, zoals de filosoof Josef Pieper in zijn gelijknamige boek stelt. Niet voor niets stamt het woord school af van het Griekse woord ‘schole’, dat rust betekent. Pas in rusttoestand, in de interval tussen twee handelingen, kunnen we tot bezinning en reflectie komen, opent zich als het ware de ruimte van het denken, die zich door geen vooropgesteld doel of economisch nut laat sturen of opjagen. Sinds Plato en Aristoteles, schrijft de filosoof Timo Slootweg in zijn inleiding op de essaybundel Bij tijd en wijle, gelden rust en niets doen daarom als de ontologische bestaansvoorwaarden van cultuur. De belangrijkste taak van een democratisch staatsman was volgens de Griekse filosofen dan ook juist die rust te bevorderen. Daar tegenover staat de tiran die zijn totalitaire macht wil vergroten door het volk continu bezig en onledig, dat wil zeggen rusteloos en niet nadenkend, te houden. Hoe ver zijn we inmiddels niet van deze gedachte verwijderd geraakt? Druk bezig zijn, een volle agenda hebben, veel gevraagd en gebeld worden is synoniem met een succesvol bestaan. Als er op een ochtend nauwelijks mails binnenkomen, slaat de vertwijfeling bij de moderne mens reeds toe. Leegte, rust en ledigheid zijn de angstaanjagende voorbodes van een tot mislukking gedoemd bestaan in de marges van de maatschappij. Maar wie realiseert zich bij dit alles nog dat tijd simpelweg een afspraak is, of, om de schrijver W.G. Sebald te citeren, dat `tijd van alle uitvindingen verreweg de meest kunstmatige is’?

Van wie is de tijd? Is de tijd nog wel aan en van ons zelf? Er is weinig wat daar op wijst. Het lijkt erop dat we de tijd definitief aan iets buiten ons hebben overgedragen. Wie kan zich nog iets voorstellen bij de filosofische bespiegeling over de tijd van de 6e eeuwse kerkvader Augustinus, die schreef dat `de ware tijdmaat in ons zelf zit, als een uitbreiding van de eigen ziel.' Wie kan er nog navoelen, als we ons haastig van de ene naar de andere afspraak spoeden, dat we in ons zelf, in onze eigen geest, de tijd meten. `U meet ik, wannneer ik de tijd meet. Mijn bevinden zelf meet ik wanneer ik de tijd meet'. We meten ongetwijfeld voortdurend van alles, en met name het gebrek aan tijd dat ons rest, maar weinigen zullen nog de ervaring hebben dat zij met het meten van de tijd zichzelf of de diepte van de eigen ziel meten. Wat we met Augustinus echter niet moeten vergeten, is dat de manier waarop we over de tijd denken maatgevend is voor de manier waarop we over ons zelf en de wereld denken. Met de ineenstorting van het centrum van de economische macht op Wall Street is het dan ook van belang de tijd op een andere dan slechts economische wijze te beschouwen. Hoe is er door de eeuwen heen door filosofen en wetenschappers over het fenomeen ‘tijd’ gedacht? Van Aristoteles tot Einstein heeft de tijd de mensheid voor grote raadselen gesteld. En nog altijd is het raadsel niet opgelost.

‘ Als niemand het mij vraagt, weet ik het,’ schreef Augustinus al in de 6e eeuw, ‘maar wanneer ik iemand moet uitleggen wat de tijd is, dan weet ik het niet meer.’ Inmiddels zijn we zo’n 20 eeuwen verder en is het klassieke, natuurkundige model van Newton’s absolute tijd ingeruild voor de relatieve ruimtetijd van Einstein. Voor Newton waren ruimte en tijd onafhankelijke begrippen, die samen het wetenschappelijke toneel of liever het achtergronddecor vormden, waar tegen alle natuurverschijnselen zich afspeelden. Hoewel Newton ook een alledaagse tijd onderscheidde, als maat voor de duur van een beweging, nam hij als vertrekpunt voor zijn natuurkundige modellen een absolute tijd, die onafhankelijk van materie en beweging als een onverstoorbare en niet door zijn omgeving gestoorde metronoom regelmatig door bleef tikken. In 1905 werd de gedachte van een absolute tijd dankzij Einstein’s begrip van ruimtetijd voorgoed verlaten. Einstein toonde aan dat ruimte en tijd geen onafhankelijke begrippen zijn, maar dat zij met elkaar verbonden, ja zelfs onlosmakelijk met elkaar verstrengeld zijn. Deze ruimtetijd is niet vlak of lineair, maar gebogen of gekromd door de inloed van de zwaartekracht en de verdeling van de zich daarin bevindende massa en energie. Hoe dichter bij een zwaartekrachtsveld, hoe trager de tijd verloopt. Net zoals het licht in de buurt van de zon afbuigt door de zonmassa, verloopt de tijd trager in de buurt van een lichaam met een grote massa zoals de aarde. Een direct gevolg hiervan is dat de tijd dus niet absoluut en universeel geldig is, maar dat de tijd verschillend verloopt voor waarnemers in verschillende zwaartekrachtsvelden. Deze stelling van Einstein werd in 1962 getoetst met behulp van twee zeer nauwkeurige klokken, waarvan er een boven op een hoge toren en de andere aan de voet van de toren werd gezet. Het bleek inderdaad dat de onderste klok, die zich dichter bij de aarde bevond, langzamer liep. Hoewel het verschil gering was, betekende deze uitkomst een omwenteling in het denken over tijd. Tijd is niet voor iedereen hetzelfde. Tijd is afhankelijk van de plaats waar je je bevindt en de manier of de snelheid waarmee je je voortbeweegt. Hoe dichter je de snelheid van het licht benadert, bijvoorbeeld, hoe trager de tijd gaat.

Einsteins begrip van ruimtetijd heeft in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw diverse schrijvers en kunstenaars gemotiveerd in hun werk de vierde dimensie van de ruimtetijd te onderzoeken. Nog voordat Einstein in 1915 de wetenschappelijke wereld verraste met zijn algemene relativiteitstheorie, publiceerde de Engelse schrijver H.G. Wells al in 1895 zijn science fiction roman ´De tijdmachine´, waarin hij het reizen door de vierde dimensie van de tijd beschreef. Hij werd vooral geinspireerd door de toen blijkbaar al bekende hypothese dat de tijd trager verloopt voor degene die de snelheid van het licht meer benadert. Tot op de dag van vandaag wordt deze gedachte trouwens ook door natuurkundigen nog altijd als een serieuze mogelijkheid gezien om ooit door de tijd te kunnen reizen. Althans, een reizen door de toekomst, niet door het verleden. Want stel je vertrekt op een dag in een raket die de lichtsnelheid dicht weet te benaderen; dat moet dan inhouden dat je bij terugkeer de aarde in oudere toestand aantreft, omdat de tijd daar inmiddels sneller is verstreken. Je keert met andere woorden in de toekomst terug. Echter, de meest voor de hand liggende reden om aan deze mogelijkheid te twijfelen, is het tamelijk banale gegeven dat we dan nu al tijdreizigers zouden moeten zijn tegengekomen. Hoewel er zich een aantal jaren geleden op internet inderdaad een dergelijke tijdreiziger gemeld heeft, die de Amerikaanse gemoederen danig wist bezig te houden, omdat zijn voorspellingen en overige antwoorden op wetenschappelijke vragen tamelijk overtuigend klonken, moeten we toch aannemen dat dit een bijzonder goed uitgevoerde grap was van een wetenschapper die tot in de finesses de technische details van het tijdreizen zich eigen had gemaakt.

Niet alleen science fiction schrijvers en filmers hebben zich overigens door de relativiteitstheorie laten inspireren, ook serieuze beeldend kunstenaars hebben getracht de vierde dimensie van de ruimtetijd in hun werk te integreren. In Nederland probeerden zowel Theo van Doesburg als Piet Mondriaan rond 1918 in hun werk de vierde dimensie op ruimtelijke wijze te tonen, in Berlijn was dat vooral de Russische kunstenaar Lissitzky. Zoals de Nederlandse kunstenaar Mark Peters in een essay op zijn website stelt, ‘zagen zij in de vierde dimensie een stimulus en katalysator die hen verder kon helpen een nieuwe abstracte kunst te creeeren.’ Peters vertelt dat het populaire boek Flatland uit 1884 van de Engelse schrijver en docent E. A. Abott ook voor velen een inspiratiebron was. In Flatland beschrijft Abott een tweedimensionale wereld met tweedimensionale wezens, die als platte geometrische figuren worden voorgesteld. Deze wezens kennen alleen het platte vlak en hebben geen weet van een derde dimensie. Het verhaal is feitelijk een analogie voor de driedimensionale wereld waarin wij ons bevinden. Net als de flatlanders, hebben wij geen weet van de vierde dimensie, omdat we die niet kunnen waarnemen. Het wel kunnen verbeelden van die vierde dimensie vormde een tijdlang de uitdaging voor kunstenaars als Van Doesburg en Mondriaan. Hoewel Mondriaan zijn pogingen uiteindelijk opgaf, stelde hij in een essay uit 1919 over ‘Natuurlijke en abstracte werkelijkheid’ nog wel dat ‘het idee van de vierde dimensie zichzelf toont in de nieuwe kunst, door de vernietiging van de driedimensionale orde en door de constructie van een nieuwe plasticiteit, die in overeenstemming is met een minder beperkte kijk op de dingen.’

Leonard Shlain geeft in zijn boek Art & Physics (1993) nog vele andere voorbeelden van kunstenaars uit die tijd, die de consequenties van Einsteins theorie in hun beeldende werk probeerden te integreren. Zo gaf de Finse kunstenaar Naum Gabo in zijn kinetische objecten uitdrukking aan de energie-massa equivalentie en ontwierp Kurt Schwitters in de jaren twintig ruimtelijke collages, waarbij de toeschouwer als het ware van binnenin de constructie naar buiten keek, in plaats van omgekeerd. Tenslotte kunnen we hier ook nog de Belgische schilder René Magritte en de Nederlandse tekenaar Escher noemen. Over het schilderij ‘Time Transfixed’ uit 1935 van Magritte kan bijvoorbeeld veel gezegd worden, onder meer over het opmerkelijke gebruik van licht en schaduw, maar wat onmiddellijk in het oog springt is dat het ‘fixeren van de tijd’ in de klok op de schouw op tamelijk ludieke wijze verbonden wordt aan de opkomst van de stoomtrein, die regelrecht uit de schouw komt zetten. Ook de Nederlandse tekenaar Escher heeft zich in veel tekeningen over de gevolgen van de relativiteitstheorie gebogen, maar het meest beroemd is wel de zogenaamde Möbius strip uit 1963. Hier heeft Escher een in elkaar gedraaid stuk rails getekend, waarlangs gigantische mieren lopen, en waarvan beide zijden voortdurend in elkaar overlopen. Zoals bij veel werk van Escher, raken je hersens ontspoord, als je er te lang naar kijkt. Wanneer je blik de mieren volgt, die als het ware de rails van de tijd bewandelen en als vanzelf op de rails van de ruimte terecht komen, kun je je als toeschouwer een aardig idee vormen van hoe de met elkaar verstrengelde ruimtetijd eruit ziet. Beide zijden zijn welliswaar gescheiden, maar stromen ook weer in elkaar over, als in een oneindig continuum.

In de literatuur is de Argentijnse schrijver Jorge Louis Borges wellicht de eerste geweest die in zijn verhaal De Aleph (1949) geprobeerd heeft de vierde dimensie van de tijd, waarin alles vanuit een volstrekt ander en veelzijdig perspectief wordt belicht, te beschrijven. De Alef is overigens de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet en betekent: eersteling of koploper. In dit korte en uiterst curieuze verhaal komt een man voor die beweert de Aleph gezien te hebben, ‘de plek waar alle plekken op aarde onvermengd aanwezig zijn, gezien vanuit alle hoeken’. De man kan deze plek echter nauwelijks onder woorden brengen: ‘Hier begint mijn wanhoop als schrijver. Hoe de anderen de oneindige Aleph over te brengen, die mijn huiverig geheugen nauwelijks kan bevatten?’ Ten slotte geeft hij een poetische opsomming van hetgeen hij in de Aleph gezien heeft, iets wat zich niet aan enige chronologie van de tijd noch aan enige beperking van de ruimte houdt: ‘Ik zag een kleine bol met wisselende kleuren, van een bijna ondraaglijke schittering. (…) De doorsnede van de Aleph was misschien twee of drie centimeter, maar de kosmische ruimte was daar te zien in heel haar omvang. Elk ding was oneindig veel dingen, want ik zag het duidelijk vanuit alle punten van het heelal. Ik zag de dichtbevolkte zee, ik zag de dageraad en de middag, ik zag de mensenmassa`s van Amerika, ik zag een zilverachtig spinneweb in het midden van een zwarte pyramide (…) Ik keek rechtstreeks in oneindig veel ogen die zich onderzoekend in mij bekeken als in een spiegel, ik zag alle spiegels van het heelal en geen enkele weerspiegelde mij. Ik zag de omloop van mijn bloed, en ik zag het raderwerk van de liefde en de wijziging door de dood, ik zag de Aleph, vanuit alle punten, ik zag mijn gezicht en mijn ingewanden, ik zag jouw gezicht, en ik werd duizelig en moest huilen, omdat mijn ogen dat geheime, vermoede voorwerp hadden gezien, waarvan de mensen zich de naam toeeigenen, maar dat door geen mens is aanschouwd: het onbevattelijke heelal.’

Terug naar de wetenschap. Een ander, in filosofisch opzicht verstrekkend gevolg van Einsteins relativiteitstheorie is dat het heelal en dus de tijd een begin zou hebben gehad, namelijk het eerste ‘nu’ moment van de oerknal. Einstein liet namelijk zien dat het plooien en krommen van de ruimtetijd deel uitmaakt van een kosmische evolutie en dat er in plaats van een statisch, onveranderlijk, en eeuwig durend heelal sprake moet zijn van een dynamisch en uitdijend heelal dat op een bepaald tijdstip in een heel ver verleden begonnen zou zijn. Het verbijsterende, ook voor Einstein zelf, aan deze ontdekking was dat er dus een begin van de tijd verondersteld moest worden. Dit was op zijn zachtst gezegd een problematische stelling, en ook een die natuurkundigen tot op de dag van vandaag liever uit de weg gaan, zoals Robbert Dijkgraaf in zijn recente boek Blikwisselingen (2008) aangeeft. ‘Hoe kun je uitleggen dat de tijd en daarmee de geschiedenis een begin heeft? Zoiets krankzinnigs is maar moeilijk te accepteren. We lijken te lijden aan een kosmische variant van conceptieangst. De leegte voor het begin van de tijd verontrust ons.’ Dijkgraaf vertelt dat Einstein – noch vele anderen na hem - dit beginmoment konden accepteren en dat de term Big Bang ‘oorspronkelijk bedoeld was om het hele idee belachelijk te maken, voordat het als geuzennaam werd overgenomen.’ Het kunnen beginnen van de tijd is ook voor filosofen problematisch geweest. Voor Aristoteles kon de tijd geen begin hebben, omdat een eerste ‘nu’ ook altijd een ‘voor’ en een ‘na’ moet veronderstellen. Tijd was voor hem de gemeten hoeveelheid verandering gezien als opeenvolging. Het nu was slechts het scharnier waaraan de tijd hing en bewoof, diende slechts als referentiepunt voor de bepaling van eerder en later. Het nu was hooguit een produkt van het bewustzijn, van de verbeelding. De vraag is het ‘nu’ van de Big Bang ook slechts een produkt van de verbeelding is, om een natuurkundige theorie kloppend te maken.

De Britse fysicus Stephen Hawking geeft in zijn boek Een korte geschiedenis van de tijd (2005) ruimhartig toe dat de meeste theorieen bij de oerknal beginnen, omdat ze er eenvoudig weg niet voor kunnen kijken en er dus ook niets over kunnen zeggen. ‘De tijd ervoor’, schrijft Hawking ‘moeten we daarom uit het model verwijderen en stellen dat de oerknal het begin van de tijd was.’ De oerknal veronderstelt dus een verledenloos ‘heden’, een tijdsmoment ex nihilo, dat met name richting geeft aan de tijd daarna. En die richting wijst in de lledaagse werkelijkheid maar een kant uit. We worden oud, en niet jong. Dit fenomeen staat ook wel bekend als ‘de Pijl van de tijd’ en werd aan het begin van de 20e eeuw door de Britse wetenschapper Eddington geintroduceerd. We nemen als vanzelfsprekend aan dat de manier waarop dingen in de tijd gebeuren slechts één richting hebben. Eieren breken, maar ze worden niet opnieuw heel. Deze assymetrieen beheersen ons dagelijkse leven, maar niet de wetten van de natuurkunde, want deze maken in principe geen onderscheid in welke richting de pijl van de tijd wijst. Niets in de vergelijkingen van de natuurkunde gaat ervan uit dat de tijd in de ene of de andere richting anders wordt behandeld, hetgeen dus in strijd is met onze ervaring van de dagelijkse werkelijkheid. Volgens de fysicus Brian Greene, auteur van De ontrafeling van de kosmos (2005), behoort dit tot een van de grootste, onopgeloste raadsels van de moderne natuurkunde. De botsing tussen onze dagelijkse ervaring en de fundamentele wetten van de natuurkunde zorgde er volgens Greene mede voor dat wetenschappers juist die gebeurtenis gingen overdenken die het verst van ons afstaat: het ontstaan van het heelal: ‘Speciale fysische omstandigheden tijdens het ontstaan van het heelal hebben de tijd, zo’n 13,7 miljard jaar geleden, een bepaalde richting opgeduwd, zoals een uurwerk dat wordt opgewonden door de veer in een zeer geordende beginstoestand te draaien, waarna het uurwerk begint te tikken. De studie van het ontstaan van het heelal probeert inzicht te bieden in de reden waarom gebeurtenissen zich sinds die tijd in één richting afspelen en nooit omgekeerd, maar lossen het raadsel daarmee nog niet op.’

In de jaren twintig ontdekten sterrekundigen als Hubbles het bestaan van andere melkwegstelsels. Hoe verder zo’n stelsel van ons verwijderd is, des te sneller verwijdert het zich van ons. Dit betekende wederom dat het heelal niet statisch kon zijn en evenmin onveranderlijk qua omvang. In werkelijkheid dijt het heelal uit en neemt de afstand tussen de verschillende melkwegstelsels permanent toe. Ooit moet dit uitdijen op een bepaald moment zijn begonnen en zelden is er zoveel geld en tijd en energie besteed aan de berekening van die zogenaamde eerste minuut. Thans wordt deze geschat op 13.7 miljard jaar geleden. Uit de voorstelling van de theorie van de oerknal vloeit voort dat het zeer vroege heelal zo klein was, dat de wetenschap niet langer om de studie van de allerkleinste deeltjes heel kon. Zo ontstond in de jaren 30 van de vorige eeuw de kwantumfysica, die deze allerkleinste elementaire deeltjes bestudeert. Uit die eerste onderzoeken van de kwantumfysica bleek al snel dat het niet langer mogelijk was een objectieve, eenduidige beschrijving van de werkelijkheid te geven. Nadat eerst de ruimte en tijd al als onafhankelijke en absolute grootheden gesneuveld waren, kwam er nu ook, in de woorden van Stephen Hawking, ‘een einde aan de klassieke droom van een wetenschappelijke theorie die volstrekt deterministisch kan zijn.’ Volgens de kwantumwetten is het hoogst haalbare van de natuurkunde namelijk het voorspellen van de waarschijnlijkheid dat deeltjes op een bepaald moment in een bepaalde toestand zijn. Uit het onzekerheidsprincipe dat de fysicus Eisenstein in 1926 introduceerde bleek namelijk dat je niet tegelijkertijd de exacte positie en de exacte snelheid van een deeltje kunt meten, omdat meting van de ene grootheid de andere verstoort. Hoe nauwkeuriger de positie van een deeltje gemeten wordt, hoe onnauwkeuriger de meting van de snelheid ervan zal uitvallen. Daarom kregen de deeltjes in de kwantumtheorie geen afzonderlijk omschreven positie en snelheid meer, maar een zogenaamde kwantumtoestand, bestaande uit een combinatie van positie en snelheid. Voor een waarneming wordt niet langer één enkel definitief resultaat voorspeld, maar een aantal verschillende uitkomsten, en voor elk daarvan wordt de graad van waarschijnlijkheid berekend.

Behalve het onzekerheidsprincipe, introduceerde de kwantumfysica ook nog het zogenaamde observer effect, de onverbrekelijke band die er tussen de waarnemer en het waargenomen object bleek te bestaan: het onderzochte object wordt als het ware door de metingen van de ‘observer’ altijd voor een deel beinvloed. Kortom, de kwantumfysica tartte nogal wat vertrouwde begrippen uit de klassieke natuurkunde door aan te tonen dat in de wereld van de kleinste deeltjes geheel andere natuurwetten gelden dan de tot nu toe algemeen aanvaarde natuurwetten. Ook bleek de tijd op het allerkleinste niveau niet eens meer te bestaan, of zoals Robbert Dijkgraaf het formuleert: ‘Op de allerkleinste afstanden komt alles in de ban van onzekerheden. Zelfs de tijd en de ruimte gaan meedansen. Deeltjes weten letterlijk niet meer wat boven of onder, vroeger of later is. Ruimte en tijd verliezen hun betekenis en worden een illusie.’ Uit diverse proeven is bovendien gebleken dat deeltjes op meerdere plaatsen tegelijk kunnen zijn. Zonder enige vertraging kan het ene deeltje invloed uitoefenen op een ander deeltje wat zich duizenden kilometers verder bevindt. Deeltjes lijken als het ware door de tijd en ruimte heen te reizen, waarmee ze nog mysterieuzer worden dan voorheen. Je zou kunnen zeggen dat we met het denken over de tijd dan weer terug zijn op het moment dat de eerste Griekse filosofen zich aan uitspraken over de tijd waagden. Zoals Zeno, die meende ‘dat de tijd niet bestond,’ of Plato: ‘de tijd is slechts de leegte waarin gebeurtenissen worden geplaatst.’ Of Aristoteles: ‘Tijd bestaat niet onafhankelijk van de gebeurtenissen die zich in de tijd afspelen.’

Opvattingen over de tijd hangen nauw samen met ons beeld van de werkelijkheid. Door de teloorgang van absolute natuurkundige grootheden, zou je kunnen zeggen dat de wetenschap op bepaalde manier bescheidener is geworden. Als je het helemaal scherp zou willen stellen, zou je kunnen beweren dat de wetenschap, na zich eeuwenlang als aparte discipline te hebben opgesteld, weer filosofisch is geworden, als we onder ‘filosofisch’ het twijfelen aan zekerheden en waarheden verstaan. Je zou ten slotte ook met de dichter Gerrit Kouwenaar kunnen beweren dat de `tijd weer open staat.’ Open voor andere interpretaties, open voor meer subjectieve beschouwingen, open voor benaderingen die niet zozeer het waarneembare, het toetsbare en het meetbare als vertrekpunt nemen, maar laten we zeggen: de ervaring van de tijd.

Een voorbeeld van zo’n andere benadering van de tijd, die zowel in filosofisch als in wetenschappelijk opzicht als vernieuwend en inspirerend mag gelden, werd al bijna honderd jaar geleden door de Franse filosoof Henri Bergson geformuleerd. Zijn werk was in het begin van de 20e eeuw zeer populair en zijn filosofie invloedrijk, totdat de invloed van de Duitse filosoof Heidegger zijn werk begon te overstemmen. De debatten die Bergson in de jaren twintig samen met Einstein voor volle collegezalen in Parijs hield over de interpretatie van de relativiteitstheorie, leidden uiteindelijk tot een breuk met de natuurwetenschappen; hij zou daarna vooral filosofische werken schrijven, waarvoor hij in 1927 de Nobelprijs kreeg. Bergson’s belangrijkste gedachte is het onderscheid tussen twee verschillende sooren tijd. In zijn boek L'évolution créatrice (1907) stelt Bergson dat de samenleving en de wetenschap de werkelijkheid niet als een dynamisch geheel beschouwen, maar slechts als een serie snapshots, dat wil zeggen van de werkelijkheid geabstraheerde momentopnamen. Hij onderscheidt deze lineaire tijd van de tijd als duur, die niet meetbaar is, maar wel wordt ervaren in het innerlijk, of liever gezegd, die de ruimte van de innerlijke ervaring openlegt. De tijd als duur (durée) is niet eenduidig maar heterogeen, want ‘er zijn geen twee momenten identiek voor een bewust wezen.’ Bergson omschrijft de tijd als duur als volgt: ‘De zuivere duur is de vorm die de opeenvolging van onze bewustzijnstoestanden aanneemt, wanneer ons ik zijn leven op zijn beloop laat, (quand notre moi se laisse vivre), dat wil zeggen: wanneer ons ik geen scheiding wil aanbrengen tussen de huidige en de vroegere toestanden.’ De verschillende toestanden die het bewustzijn doorloopt, zetten zich in elkaar voort en vormen als het ware een ononderbroken stroom met elkaar. De tijd als duur vormt een organisch en dynamisch geheel, dat niet gemeten kan worden, maar eerder ervaren wordt op de manier waarop ‘we ons soms de noten van een melodie als het ware samengesmolten herinneren.’ Iedere noot op zich is niets, pas in z’n verloop is het muziek. Bergson noemt de tijd als duur de meest wezenlijke ervaring voor de mens. De op economisch gewin gerichte samenleving en de analytisch ingestelde wetenschap moeten echter bijna noodzakelijkerwijs deze tijd de rug toekeren en de tijd in meetbare eenheden onderbrengen, waardoor het overheersende beeld van een lineaire tijd is ontstaan. Daarmee ging de ervaring van de tijd als duur steeds meer verloren.

Het verschil tussen lineaire tijd en tijd als duur betrekt Bergson op het onderscheid tussen een ik dat handelt volgens de principes van het verstand en een zelf - le moi profond - dat met de dynamische en pluriforme tijd als duur verbonden is. Meestentijds zijn we volgens Bergson dat handelende ik, een soort bewust automaton, dat verstandelijk reageert op prikkels uit de omgeving. Soms echter breekt door deze ‘korst van mechanische handelinge’ de ervaring van de tijd als duur heen. Dat is wat ons bijvoorbeeld in rusttoestand overkomt, of in de bezinning, de reflectie, de kunst, of in andere intense ervaringen met een verhoogde concentratie, waarbij het ik het gevoel voor het verstrijken van de lineaire tijd als het ware verliest. In het denken en in de kunst krijgt de tijd als duur volgens Bergson een kans, omdat de schrijver, de kunstenaar een brug slaat naar het zelf en een poging doet te putten uit een heel eigen en particulier reservoir aan herinneringen en ervaringen. De kunstenaar ontwikkelt als het ware een sterkere intuitie voor de tijd als duur, die Bergson ‘het voorgaande leven van een geheugen dat het verleden voortzet in het heden’ noemt. Want er bestaat volgens hem ‘geen gemoedstoestand, hoe eenvoudig ook, die niet telkens verandert, omdat er geen bewustzijn zonder geheugen is, geen voortzetting van een toestand zonder de toevoeging van de herinnering van voorbije momenten aan het tegenwoordige gevoel. Daarin bestaat de duur. De innerlijke duur is het voortgaande leven van een geheugen dat het verleden voorzet in het heden. Zonder dit overleven van het verleden in het heden, zou er geen duur, maar alleen ogenblikkelijheid bestaan.

Om oog te hebben voor dit voortdurend in het heden aanzwellend verleden, om kortom de tijd als duur te ervaren, zijn rust en afstand, reflectie en introspectie nodig. We kunnen ons afvragen of de moderne westerse mens in zijn volgepropte en opgejaagde heden daar nog wel aan toekomt. Ons leven wordt dermate beheerst door een hectische bedrijvigheid, dat de ervaring van de tijd als duur op zijn zachtst gezegd nogal bekneld is geraakt. Wat Bergson probeert duidelijk te maken, is dat we drager van twee verschillende tijdservaringen zijn. Aan de ene kant ervaren we de tijd als een lineaire opeenvolging van momenten, de kloktijd, maar dit ‘meten van de tijd’, zo stelt Bergson, ‘heeft nooit iets met de tijd als duur te maken.’ Aan de andere kant zit een veel lastiger te benoemen tijdservaring, die Bergson verbindt aan ‘een dieper gelegen zelf’, dat alleen ervaren kan worden, als het ik ‘zijn leven op zijn beloop laat’. Als we iets van de tijd als duur willen ervaren, is het noodzakelijk uit de economische tredmolen te stappen en als het ware een pas op de plaats te maken. Als we onze intuitie voor die andere tijd willen ontwikkelen, kunnen we ons ook op de kunst en de literatuur richten, waar zij op steeds andere wijze van zich doet spreken. Intuitie is een andere belangrijke term voor Bergson, omdat een louter rationeel kennen niet in staat is de tijd als duur te ervaren: ‘intuitie is de sympathie waardoor men zich verplaatst in het innerlijk van een voorwerp om samen te vallen met wat het aan unieks en dus onuitdrukbaars bezit.’ Hoewel de ervaring van de tijd als duur dus in wezen onzegbaar is, kunnen ‘veel verschillende beelden door hun convergerende werking het bewustzijn tot dat punt kunnen leiden, waar het zich meester kan maken van een bepaalde intuitie.’ Kunst is een van die wegen die ons naar de intuitie van de tijd als duur kan leiden.

We hoeven maar een boek van Virginia Woolf, Borges of Beckett op te pakken, of we kunnen de tijd als duur als het ware door de woorden heen zien stromen. Maar ook van het werk van veel beeldend kunstenaars kan gezegd worden, dat zij onophoudelijk proberen onze intuitie voor de tijd als duur aan te wakkeren. Ik hoef bijvoorbeeld maar aan de schilderijen van Paul Klee, Marc Rothko of Thierry Pécastaing te denken en zie de tijd als duur als het ware aan me voorbij trekken. Maar waarschijnlijk heeft iedere toeschouwer hierin ook zijn iegen voorkeur. De filosoof Jan Bor geeft in zijn boek Op de grens van het denken (2007) voorbeelden van enkele hedendaagse, Nederlandse schilders, zoals Wim de Haan en Marinus Fluit, die hij met behulp van Bergsons gedachtengoed beschouwt en interpreteert.

Laat mij ten slotte een recent voorbeeld uit de Nederlandse literatuur noemen. Het lijkt wel alsof dichter en filosoof Henk van der Waal (www.henkvanderwaal.nl) van die andere tijd, of dit nu de tijd als duur van Bergson is, of de vierde dimensie van de ruimtetijd, het titelpersonage van zijn dichtbundel de Aantochtster (2003) heeft gemaakt. De Aantochtster is een uitermate mysterieus personage, dat nog vele andere namen krijgt, de aanzegster bijvoorbeeld die `zich aanschurkt tegen het onbestemd bestaande’ en `ver uitkijkt boven het keurig geknipte hekje van je menselijkheid’. Op de achterflap wordt door de dichter zelf de vraag gesteld wie die Aantochtster eigenlijk is? Om een concrete vrouw lijkt het niet te gaan, stelt hij zelf, en ook niet om iets goddelijks. Iets ondenkbaars dan? Ja, luidt dan onomwonden het antwoord daarop. De Aantochtster lijkt veel op het ‘moi profond’ van Bergson, een soort onzegbaar zelf, dat zich ‘wentelt om jouw as’ en ‘zich niet bespoedigt in het afgekloven ideaal van medemenselijkheid of in werken van welke aard ook; wel is ze op komst zodra je je gezocht weet of misschien wel getroost vanwege het neerslaan van schoonheid’. De aantochtster is iets ondenkbaars, omdat zij niet in rationele termen te vangen valt, zij is namelijk, en dat is veelzeggend, ‘een verklonteraarster van hersenweefsel’ en ook een `toekomstweefster die jaarringen haakt om de geschiedenis,’. Zij komt inderdaad uit een andere tijdsdimensie voort dan degene die wij kunnen meten en benoemen, want ‘zij strijkt haar handen in tegen de wijzers van de klok en legt een knoop in je denken: niet als opmaat voor einde, maar als voorproefje van aanvang.’ Zij wordt door de dichter ook heel fraai ‘onze `4e persoon enkelvoud genoemd, die `met fluwelen hand / dominosteentjes uit de rij tegen elkaar tikkende seconden tilt tot niets meer voor valt en de tijdgevoeligen gehouden zijn in het nooit van wat wordt: pure hoop.’ In ieder van ons huist zo’n 4e persoon enkelvoud, lijkt Henk van der Waal in deze bundel te suggereren, een dieper zelf dat er een compleet andere agenda en kalender op nahoudt dan ons bewuste ik. Net als Borges in zijn verhaal De Aleph heeft van der Waal ons hier wellicht een kijkje gegund in wat we ‘de tijd als duur’ of misschien ook wel die onvoorstelbare vierde dimensie van de ruimtetijd zouden kunnen noemen. Want de Aantochtster ‘maakt poeder van de tijd’ en trekt ons weg uit ‘het loeien van de bestaanbaarheid’.

In deze dagen waarop het neo-kapitalisme wellicht op zijn laatste benen loopt, is het goed zich te realiseren dat deze ideologie vooral geprobeerd heeft van de mens een manipuleerbare verlangensmachine te maken, die, op de hielen gezeten door de tijd, zich een slag in de rondte werkt om maar af te kunnen nemen wat de producenten produceren. De economie is niet geinteresseerd in de vrijlegging van een ander soort ervaring van tijd, heeft een broertje dood aan die 4e persoon enkelvoud, die ons er maar toe aan zou zetten uit de ratrace te stappen en consumptie te weigeren. En toch is het nu, meer dan ooit, noodzakelijk onze blik te verleggen, en aandacht te vragen voor een tijd die zich niets aantrekt van verlies en winstrekeningen, voor een tijd die ruimte geeft aan periodes van rust, van refeelctie, van de ontwikkleing van een intuitie voor de tijd als duur. De poetische benadering van de tijd als duur in de poezie van van der Waal, en in veel andere kunstuitingen, maken ons ervan bewust dat we altijd meer dan verstandelijke, producerende en consumerende wezens alleen zijn, meer dan willekeurige en inwisselbare schakels in een wereldwijde produktieketen. Ze herinnert ons eraan dat er een welliswaar moeilijk benoembare, maar daarom niet minder belangwekkende tijdsdimensie in ons zelf ligt opgeslagen, die volstrekt uniek en niet inwisselbaar is, en wel eens vele malen waardevoller zou kunnen zijn dan de lineaire kloktijd, waaraan we ons steeds meer onderworpen hebben. Er is ons met andere woorden ook een tijd in onderpand gegeven, een tijd die als een onzichtbare onderzeeboot onder onze bewuste identiteit vaart, en die ons de mogelijkheid biedt afstand te nemen, een interval in te bouwen, tot reflectie te komen en van ons beuwste ìk’ te kunnen verschillen. Een tijd die het unieke in ons een kans geeft, waardoor we ons tegen het steeds dwingerder regime van uniformiteit kunnen verzetten. Een tijd die door Bergson tijd als duur werd genoemd, door Ernst Bloch tijd als hoop en in de verte weer een beetje lijkt op de ervaring van tijd die Augustinus beschreef als ‘de ware tijdmaat die in ons zelf zit, als een uitbreiding van de eigen ziel.’

Hier moet ik het voorlopig bij laten. Het is tijd, de tijd is op, mijn tijd zit erop, dank voor uw aandacht en voor uw, zeker in deze tijden, bewonderingswaardig uithoudingsvermogen.