WOORDENBOEKBESCHRIJVING:
Fourth dimension: fourth co-ordinate in a fourth co-ordinate system.
An event such as the flashing of a light signal at a given time and
place, could be specified by four co-ordinates: x, y, z, t where x,
y and z are the co-ordinates of the place and the fourth co-ordinate,
t, tells the time of it's occurrence.
Interest in a fourth dimension has been aroused by descriptions of unusual
phenomena in four-dimensional space, such as turning a sphere inside
out without tearing it.
(Encyclopedia International)
Fourth dimension: the dimension that converts a three dimensional aggregate
(length, breadth and thickness) into a space-time relationship; a thing
outside the range of costumary meaning.
(the New Webster Dictionary)
INLEIDING
Vandaag de dag is het gebruik maken van de theoretische vierde dimensie
in de kunst vaak voorkomend. Maar waar vindt dit zijn oorsprong? Het
door kunstenaars verwerken van de vierde dimensie in de jaren tien en
twintig had andere intenties dan dat dit nu heeft. Daarom moet je het
ook in de toenmalige context zien.
Ik houd me niet bezig met de hedendaagse kunstenaars die met dit onderwerp
bezig zijn, behalve Al Held die vanuit de traditie van het geometrische
schilderen van Mondriaan en Albers voortkomt, maar met de oorspronkelijke
kunstenaars die door hun geloof in een hogere werkelijkheid buiten de
directe visuele waarneming in de vierde dimensie een stimulus en een
katalysator zagen die hen verder kon helpen een nieuwe abstrakte kunst
te creëren
In 1915 openbaarde Albert Einstein zijn algemene relativiteitstheorie
die in 1919 algemeen bekend was. Verscheidene kunstenaars hadden deze
theorie verwerkt in hun eigen kunstopvattingen. Het was de eerste keer
dat kunst en wetenschap zo met elkaar verbonden waren.
Dit is op zich nog niet zo verwonderlijk. Beide disciplines vereisen
een geestelijk proces waarbij je met wetmatigheden wordt gekonfronteerd.
In de wetenschap heb je b.v. de lichtsnelheid en de zwaartekracht als
wetmatigheden. In de kunst zijn dit b.v. kleurenleer en kompositie.
Bij kunst en wetenschap is een drang tot ontwikkeling noodzakelijk. Hoewel
het in de kunst in de eerste plaats gaat om de persoonlijke ontwikkeling
en bij de wetenschap om de gemeenschappelijke ontwikkeling is het de
drang tot ontwikkeling die zorgt voor nieuwe ontdekkingen.
In deze essay wil ik een beeld schetsen van de betekenis van de vierde
dimensie voor theoretici en kunstenaars. Ik behandel de vierde dimensie
in de betekenis van een hogere ruimte en in de betekenis van tijd.
Ik laat de theoretici Abbott, Kant, Hinton en Ouspensky aan bod komen,
omdat deze mensen nodig zijn voor het begrijpen van de vierde dimensie
en omdat zij, op Abbott na, van invloed zijn geweest op het denken van
kunstenaars.
De kunstenaars Van Doesburg, Lissitzky en Held en in mindere mate Malevich
en Mondriaan, zijn belangrijk geweest voor de translatie van de vierde
dimensie in de kunst. In het bijzonder is Van Doesburg belangrijk omdat
hij veel geschreven heeft over het onderwerp.
Wat mij zo aantrekt in het onderwerp van de vierde dimensie is dat het,
in tegenstelling tot veel andere wetenschappelijke theorieën, voor
verschillende interpretaties vatbaar is. Het spirituele idee dat er een
hoger-dimensionale ruimte bestaat is voor mij een nieuwe positieve impuls
om ruimte in het schilderen vanuit een nieuw gezichtspunt te benaderen.
Aan het einde van de negentiende eeuw begonnen kunstenaars een afkeer
te ontwikkelen tegen de algemene levensinstelling dat alles zijn nut
moet hebben en dat alles volledig bepaald moet zijn door de zintuiglijk
gekende wereld. Zij zochten naar iets dat hoger of dieper was dan de
alledaagse wereld van visuele gewaarwordingen, naar iets absoluuts of
universeels.
In de wiskunde hadden zich ontwikkelingen voorgedaan die, naar inzicht
van de kunstenaars, lieten zien dat er meer kon zijn dan de driedimensionale
wereld van het dagelijkse leven.
Al vanaf 1870 waren er populaire geschriften in omloop waarin voor het
eerst geschreven werd over het mogelijke bestaan van een vierde ruimtelijke
dimensie. Daarnaast werd er ook al gedacht dat tijd gezien moest worden
als een soort vierde dimensie. Dat werd dus al geopperd voor het verschijnen
van Einsteins algemene relativiteitstheorie in 1919, waarin deze gedachte
gestaafd werd.
De vierde dimensie werd ook populair doordat het onderwerp gebruikt werd
in vertellingen en science fiction-achtige romans zoals 'the time machine'
van H.G. Wells.
Maar waar staat de vierde dimensie nu voor? Daarvoor moeten we teruggaan
naar de eerste theoretici die over dit onderwerp geschreven hebben.
ANALOGIEEN
G.Th. Fechner (1801-1887), de schrijver van het bekende 'Vorschule der
Aesthetik' (1876), was een van de eersten die een poging waagden aan
een lekenpubliek enig begrip over de vierde dimensie bij te brengen.
Hij gebruikte daartoe de ook later veel toegepaste, nog binnen ons voorstellingsvermogen
vallende, parallel van een driedimensionaal lichaam (een kubus bijvoorbeeld),
dat zich door een plat vlak beweegt. Zeer populair - zelfs tot op heden
- werd het, op dezelfde analogieën berustende 'flatland' (platland)
van E.A. Abbott (1884). Abbott was een Victoriaanse docent (1838-1926)
die ook boeken schreef over grammatica en theologie.
In flatland beschreef hij een tweedimensionale wereld met tweedimensionale
wezens. Deze wezens zijn geometrische figuren, zoals driehoeken, vierkanten
en veelhoeken.
Hun universum is het platte vlak en ze hebben dus geen weet van een derde
dimensie.
Om een beter idee te krijgen van het boek beschrijf ik globaal een voorval
daaruit. Op een dag wordt een vierkant geconfronteerd met een bol die
hun tweedimensionale wereld binnendringt. De bol openbaart zich in het
tweedimensionale vlak als een punt die in grootte toeneemt tot een cirkel,
waarna de cirkel weer langzaam verandert in een punt en tenslotte verdwijnt.
Het vierkant begrijpt hier niets van Hij kan zich geen voorstelling maken
van de derde dimensie. Zijn grote probleem zit hem in het voorstellen
van al deze verschillende cirkels die bij elkaar opgestapeld een bol
vormen.
Als je dus geometrisch gezien een voorstelling wilt maken van een vierdimensionaal
voorwerp of wezen kan je aldus deze analogie gebruiken: een punt heeft
geen dimensie. Hij heeft geen bewegingsruimte en is dus statisch. Vanuit
de punt ontstaat de lijn, de eerste dimensie. Loodrecht vanuit de lijn
ontstaat het vierkant, de tweede dimensie. Dan als laatste ontstaat loodrecht
vanuit het vierkant de kubus, de derde dimensie. Aldus de analogie vervolgend
ontstaat loodrecht vanuit de kubus, de vierdimensionale- of hyperkubus.
Deze kan gedacht worden te ontstaan door een - visueel onvoorstelbare
- verschuiving van kubussen langs vier onderling loodrecht op elkaar
staande assen.
De normale kubus wordt begrensd door acht kubussen. De begrenzing van
een vierdimensionale kubus is driedimensionaal.
Deze figuur is ontwikkeld door Charles H. Hinton, een 'hyperruimtefilosoof',
om een beter inzicht te verkrijgen in vierdimensionale vormen. Op deze
persoon kom ik dadelijk terug
Je kunt de derde dimensie suggereren als een richting die diagonaal op
de twee eerste staat. Als je, om de vierde dimensie voor te stellen,
de andere diagonale richting gebruikt en het beeld van de kubus een eenheid
in deze vierde dimensie beweegt, krijg je de beeltenis van de vierdimensionale
hyperkubus.
De figuur kan gevormd worden door een vierkant te plaatsen op de binnenkant
van elk van de zijden van een regelmatige achthoek.
De hyperkubus ontstaat als het spoor van een kubus die door de vierdimensionale
ruimte beweegt. Elk gegeven kubus kan op drie verschillende manieren
gevormd worden, afhankelijk van welke van de drie mogelijke tegenoverliggende
paren vierkanten men als 'begin'- en 'eind'- positie ziet. De hyperkubus
heeft vier paar kubussen in zich. De twee verschillende manieren waarop
je iedere afzonderlijke kubus kunt zien heet het neckereffect. Daardoor
kun je in de tweedimensionale voorstelling van de hyperkubus acht kubussen
ontdekken. Wat een omkering van de neckerkubus hier zo belangrijk maakt,
is dat de twee mogelijke 3-D interpretaties van de oorspronkelijke tekening
van het geraamte in feite elkaars spiegelbeeld zijn. Het sprongsgewijs
opnieuw schikken dat plaatsvindt als de neckerkubus zich omkeert, is
gelijk aan een rotatie door de vierde dimensie.
HINTON
De hyperkubus was dus een ontdekking van de engelse schrijver Charles
H. Hinton (1853-1907). Hij ontwikkelde een systeem van 'hyperruimte'
filosofie, dat gebaseerd was op zijn geloof, dat het antwoord op het
kwaad van de zinlijke werkelijkheid met zijn wetmatige afgeleiden (positivisme)
en materialisme voor de mens gelegen was in het ontwikkelen van zijn
vermogens tot intuïtie om op die wijze de vierde dimensie van de
ruimte de echte werkelijkheid, waar te nemen.
Hij zag ruimtevoorstelling als een van de middelen van onze geest om
de signalen uit onze omgeving te behandelen.
De tot dan toe aangehangen opvatting dat deze ruimtelijke aanschouwingsvorm
driedimensionaal van karakter zou zijn, beschouwde Hinton echter als
een tijdelijke fase in de ontwikkeling van de menselijke geest. Het ging
hem om de ontwikkeling van ons voorstellingsvermogen door uitschakeling
van de 'self-elements'. Hiermee bedoelt hij de kijk op de dingen vanuit
menselijk oogpunt. Door deze 'self-elements' blijven we volgens, hem
verstrikt in ideeën van voor en achter, 'boven' en 'onder' en 'links'
en 'rechts'. Beperkingen die ontstaan doordat we gebonden zijn aan het
perspectief van onze ogen. Als hulpmiddel voor de ontwikkeling van onze
ruimtelijke aanschouwingsvorm ontwikkelde Hinton een blok van 36 bij
36 kubusjes van ieder 2.5 cm en met elk een andere kleur. Hij gaf elk
van de 46.656 eenheden een Latijnse naam van twee woorden en leerde dit
netwerk te gebruiken als een soort Massief papier. Als hij zich dus een
massief voorwerp wilde voorstellen, deed hij dit door het formaat aan
te passen, zodat het in zijn blok paste. Vervolgens kon hij het voorwerp
beschrijven door de lijst van bezette blokjes te raadplegen.
Dit is niet echt onmogelijk. Hinton had een systeem om het aantal basisfeiten
terug te brengen tot een aantal van 216.
Het resultaat hiervan was dat Hinton nu in staat was om een 3-D voorwerp
te nemen en de delen ervan te zien van wat naast wat is, en zich op die
manier te bevrijden van de aan de ruimte gebonden begrippen als voor/achter,
boven/onder en links/rechts. Zo kwam hij uit op een volmaakt vierdimensionaal
beeld van de wereld.
Hinton zegt ook dat het voor ons mogelijk zou moeten zijn om 4-D gedachten
te vormen. Mensen denken vaak dat het zinloos is om te hopen dat we 4-D
patronen in onze hersenen kunnen vormen omdat deze bestaan uit een 3-D
netwerk van zenuwen. Maar Hinton zegt dat het mogelijk is dat onze ruimte
een geringe 4-D dikte heeft, net zoals de 2-D ruimte in Abbotts 'flatland'
een geringe dikte moet hebben om nog van stoffelijkheid te kunnen spreken.
Volgens Hinton zou die 4-D dikte van onze ruimte noodzakelijk moeten
zijn voor ons bestaan. Als dit inderdaad het geval is, zijn de kleine
stukjes materie die onze gedachten coderen misschien wel vrij om werkelijke
4-D patronen te vormen en wordt 4-D denken makkelijk bereikt.
Hintons denkbeeld is juist, dat wij, voordat we ertoe overgaan het vermogen
tot zien in de vierde dimensie te ontwikkelen, de voorwerpen moeten leren
schouwen, zoals zij van de vierde dimensie uit gezien zouden worden,
dus allereerst niet in perspectief maar tegelijk van alle zijden, zoals
'ons bewustzijn ze kent'.
Hinton wilde komen tot een wetenschap die bevrijd zou zijn van de beperkingen
van het positivisme, gebonden als dit nu eenmaal is aan een driedimensionale
wereld. Naar zijn inzicht maakte deze beperking het voor de mens onmogelijk
een waar beeld van de werkelijkheid te verkrijgen. Hij legde daarom verband
tussen Plato's 'Wereld der ideeën' en Kants 'Ding an sich' aan de
ene kant en de vierde dimensie aan de andere kant. Hinton haalt in zijn
geschriften het verhaal van de allegorie van de grot aan, van Plato.
Hierin vraagt Plato ons een mensenras voor te stellen dat zodanig vastgeketend
is in een onderaardse grot, dat de schaduwen op de wand van hun grot
het enige is wat ze kunnen zien. Achter de mensen staat een laag muurtje,
en achter dat muurtje brandt een vuur. Op het muurtje bewegen voorwerpen
heen en weer en het vuur werpt de schaduwen van deze voorwerpen op de
wand van de grot.
De gevangenen denken dat deze schaduwen de enige werkelijkheid zijn.
Ze beseffen zelfs niet dat ze driedimensionale lichamen hebben.
Ze spreken tegen elkaar, maar aangezien de geluiden van de wand terugkaatsen,
nemen ze aan dat zij en hun medemensen ook schaduwen zijn. Rudi Rucker
zegt hierover in zijn boek 'de vierde dimensie': "Er zit een aantal
interessante punten in de allegorie van Plato. Het is bijzonder opvallend
dat de gevangenen werkelijk denken dat ze hun eigen schaduw zijn. Dit
is interessant omdat dit het idee suggereert dat een persoon in werkelijkheid
een hogerdimensionaal vezen is dat deze 'schaduwwereld' van driedimensionale
voorwerpen bekijkt en beïnvloedt."\
In dit opzicht is het ook interessant een nieuwe ontwikkeling te bekijken
in de computertechnologie. Er bestaat een computerprogramma waarbij je
een bril opkrijgt waarin computergraphics geprojecteerd worden die een
nieuwe werkelijkheid suggereren. Dit programma heet 'Virtual reality'
(denkbeeldige realiteit). Samen met de bril krijg je ook computer-gekoppelde
handschoenen aan. Je staat dan bijvoorbeeld in een simpel kantoor waar
je objecten kunt vastpakken, weggooien, je kan vliegen of je perspectief
veranderen (groeien en krimpen). Net als bij de allegorie van de grot
heb je geen besef meer van je eigen lichaam. Je wordt je eigen computer-persoonlijkheid.
Hypothetisch gezien zou je dus kunnen gaan geloven dat de 'virtual reality'
de echte werkelijkheid is.
De ideeën van de filosoof Immanuel Kant (1724-1804) zijn zeker van
invloed geweest op het denken van Hinton over ruimte en tijd. Kant zegt
hierover het volgende in zijn boek "Kritik der reinen Vernunft" (1781):
Door middel van onze zintuigen komt er een voortdurende stroom van gewaarwordingen
op ons af. De menselijke geest, nu, ontvangt deze gewaarwordingen, onafhankelijk
van hun aard, en voordat het verstand ermee gaat werken, op een bepaalde
wijze.
Empirische (op ervaring berustende) lichamen, van waaruit onze zintuigen
geprikkeld worden, blijken namelijk alleen in twee 'aanschouwingsvormen',
ruimte en tijd, door ons ontvangen te kunnen worden. Zo kan men zich
wel een lege ruimte voorstellen waarin niets gebeurt, maar omgekeerd
kan men zich geen dingen en gebeurtenissen voorstellen zonder een ruimte
en een tijdsverloop waarin ze gevat zijn. Deze aanschouwingsvormen zijn
niet eigen aan de dingen; althans we kunnen hieromtrent niets zeggen.
Het is de mens die aan de zintuiglijke gewaarwording, veroorzaakt door
de dingen, ruimtelijkheid toevoegt, als ook een opgenomen zijn in de
voortgang van de tijd.
Wat betreft de grond van deze aanschouwingsvormen kan men, volgens Kant,
niet veel meer zeggen dan dat ze er eenvoudig blijken te zijn en aan
de gewaarwordingen voorafgaan. Zij zijn a priori.
Wij treffen dus, volgens Kant, in het kenproces, waarin ruimte en tijd
betrokken zijn, zowel empirische realiteit (de zintuiglijke indrukken)
aan, als de transcendentale idealiteit (bovenzintuiglijke indrukken).
Bovendien kan nog opgemerkt worden dat het a-prioristische karakter van
de aanschouwingsvormen ruimte en tijd, dat wil zeggen hun onafhankelijkheid
van empirische waarneming, het de mens mogelijk maakt zuivere wiskunde
te bedrijven. De mens kan algemene meetkunden opstellen zonder van empirische
gegevens uit te gaan.
OUSPENSKY
De Russische psycholoog en antroposoof P.D. Ouspensky schreef aan het
begin van deze eeuw ook over het onderwerp van de vierde dimensie. In
zijn essay 'De vierde dimensie' (1908-1929) schrijft hij: "Zelfs
een oppervlakkige bekendheid met het probleem van de vierde dimensie
doet reeds de noodzakelijkheid inzien het langs psychologische en natuurkundige
weg te bestuderen. De vierde dimensie is onkenbaar.
Wanneer zij bestaat en wij haar niet kunnen kennen, betekent dit klaarblijkelijk
dat er iets ontbreekt aan ons psychisch apparaat, aan ons waarnemingsvermogen;
m.a.w. verschijnselen uit het gebied van de vierde dimensie worden niet
door onze zintuigen waargenomen.
Wij moeten nagaan hoe dit komt, welke de gebreken zijn, waarvan deze
niet-ontvankelijkheid het gevolg is en de omstandigheden vinden ( zij
het ook maar theoretisch) waaronder de vierde-dimensie begrijpelijk en
toegankelijk voor ons wordt. Al deze vragen behoren tot het gebied van
de psychologie of mogelijk ook tot dat van de kennis-theorie. Verder
zegt hij; "Wanneer wij het bestaan van de vierde dimensie aannemen,
moeten wij dus erkennen, dat een lichaam van drie dimensies niet kan
bestaan, indien er vier dimensies zijn. Een werkelijk lichaam moet in
ieder geval een zij het slechts geringe uitbreiding hebben in de vierde
dimensie, anders zal het slechts een denkbeeldige figuur zijn, de projectie
van een lichaam van vier dimensies in de driedimensionale ruimte, zoals
een op papier getekende kubus.
Zo moeten wij tot de conclusie komen dat er een kubus van drie en een
van vier dimensies bestaat, en dat alleen de kubus van vier dimensies
werkelijk is. Wanneer wij de mens vanuit dit gezichtspunt bestuderen,
komen wij tot zeer belangwekkende gevolgtrekkingen. Indien de vierde
dimensie bestaat, is slechts een van twee dingen mogelijk. Of wijzelf
bezitten de vierde dimensie, d.w.z. zijn wezens van vier dimensies of
wij bezitten enkel drie dimensies en bestaan in dat geval helemaal niet.
Wij hebben dus goede redenen om te zeggen dat wijzelf wezens van vier
dimensies zijn en alleen met een van onze zijden, d.w.z. met een klein
deel van ons wezen, naar de derde dimensie gekeerd zijn. Alleen dit deel
van ons leeft in drie dimensies, en wij zijn ons enkel van dit deel als
ons lichaam bewust. Het grootste deel van ons wezen leeft in de vierde
dimensie, maar wij zijn ons van dit grotere deel van onszelf niet bewust.
Wij zouden met nog meer grond van waarheid kunnen zeggen, dat we in een
wereld van vier dimensies leven, maar van onszelf enkel bewust zijn in
een wereld van drie dimensies. De vierde dimensie is niet alleen in ons
zelf, maar wij zijn ook in de ruimte van vier dimensies.
Voor Ouspensky leidde de wiskundige bestudering van de vierde dimensie
op een heel vanzelfsprekende wijze tot een geloof in de leer van de mystiek.
In zijn simpelste vorm bestaat deze leer uit slechts twee dingen alles
is een, en het een is onkenbaar. Wat heeft dit met de vierde dimensie
te maken? Het eerste idee is dat de hogere ruimte gezien kan worden als
een achtergrond van bindweefsel dat de verschillende verschijnselen in
de wereld met elkaar verbindt. Als men tot hogere en hogere voorstellingen
van de ruimte komt, neigt men naar een of andere ideale superruimte,
waarin alles, dichtbij en ver, verleden en toekomst, groot en klein,
werkelijk en ingebeeld samen in een of andere grote eenheid is.
Bij het begrip 'het een is onkenbaar' moeten we duidelijk afspreken in
welke betekenis het woord kennen gebruikt moet worden. Mystiek gezien
is het een onkenbaar, kenbaar in de zin dat we de ruimte om ons heen
kunnen voelen, kenbaar in de zin dat we ons open kunnen stellen om oprecht
te leven en schoonheid en liefde te voelen.
Alleen voor de rationele geest is het een onkenbaar. Geen enkele eindige
reeks van menselijke symbolen kan de uiteindelijke werkelijkheid echt
vertegenwoordigen: noem het god, het een, het absolute, de waarheid of
wat je maar wilt.
De situatie is te vergelijken met de poging zich een voorstelling te
maken van een oneindige verzameling zoals de verzameling N van alle natuurlijke
getallen (1,2,3..... ). Gegeven het feit dat we een idee hebben van wat
een getal is, hebben we een vrij goed besef van wat N is; dit hogere
besef moet worden vergeleken met het mystieke kennen van het een. Maar
als we perse een volledige, duidelijke opsomming van elementen willen
hebben, zal de verzameling N altijd buiten ons bereik liggen. Dit is
te vergelijken met het onvermogen van de rationale geest om het een volledig
te bevatten.
SYMMETRIE
Hinton heeft over de symmetrie der dingen iets interessants geschreven.
Ouspensky schrijft hierover in zijn essay 'de vierde dimensie': "Over
het geheel genomen staat Hinton zo dicht bij de juiste oplossing van
het vraagstuk van de vierde dimensie, dat hij soms de plaats van de vierde
dimensie in het leven raadt, al kan hij die niet precies aanwijzen. Zo
zegt hij, dat de symmetrie in de bouw van levende organismen alleen verklaard
kan worden door de beweging van hun deeltjes in de vierde dimensie. Ieder
weet, zegt Hinton, hoe hij op papier afbeeldingen kan maken die op levende
insecten lijken. Een paar inktvlekken worden op een stuk papier geworpen
en het vel wordt in tweeën gevouwen. Zo krijgt men een heel ingewikkelde
symmetrische afbeelding, die veel wegheeft van een fantastisch insect.
Indien een hele reeks van deze figuren gezien zou worden door iemand,
die helemaal niet weet hoe zij gemaakt worden, zou deze door zuiver logisch
denken tot de slotsom moeten komen, dat zij ontstonden door het papier
in tweeën te vouwen, d.w.z. dat hun symmetrisch gevormde punten
met elkaar in contact waren geweest.
Op dezelfde wijze mogen wij bij het onderzoeken en bestuderen van georganiseerde
wezens, die heel veel lijken op de figuren, die wij volgens de beschreven
methode op het papier maakten, concluderen dat deze symmetrische vormen
van insecten, bladeren, vogels en andere dieren ontstaan door een proces,
dat met dit vouwen overeenkomt. En wij kunnen de symmetrische bouw van
georganiseerde wezens verklaren zo niet door in tweeën vouwen in
de vierde dimensie, dan toch door een rangschikking, op een wijze die
met vouwen gelijk te stellen is, van de kleinste deeltjes waaruit ze
opgebouwd zijn.
Er bestaat, zegt Ouspensky, in de natuur inderdaad een zeer belangwekkend
verschijnsel, dat ons volkomen juiste diagrammen (schema's) van de vierde
afmeting geeft. Wij dienen alleen te weten, hoe wij deze diagrammen moeten
lezen.
Wij vinden ze in de fantastisch verscheiden, maar altijd symmetrische
vormen van sneeuwvlokken, en ook in de tekening van bloemen, sterren,
varens en kantwerk die de vorst op de ramen tovert. Waterdroppels die
zich uit de lucht op een koud raam vastzetten, op het ijs, dat zich daarop
reeds gevormd heeft, beginnen onmiddellijk te bevriezen en uit te zetten
en laten sporen van hun beweging in de vierde dimensie na in de vorm
van ingewikkelde tekeningen. Deze vorst-patronen op ramen evenals die
sneeuwvlokken zijn figuren van de vierde dimensie.
De beweging--van een lagere figuur om een hogere te bereiken, zoals die
in de meetkunde gedacht wordt, is hier werkelijkheid geworden en het
resultaat stelt het spoor voor van de beweging van de lagere figuur,
omdat de vorst alle trappen van uitzetting van bevriezende waterdroppels
bewaart".
RELATIVITEIT
We meten, zoals we al gezien hebben bij Hinton, de plaats van een ding
altijd relatief tot die van een ander ding (een bepaald punt op de aardoppervlakte
bij voorbeeld). Dat andere ding zal zich echter in het algemeen in de
ruimte bewegen, zoals de aarde dat ook doet. Dat betekend dat al onze
metingen van plaats (en van snelheid) slechts relatieve waarden opleveren.
Theoretisch fysicus Albert Einstein (1879-1955) redeneerde dat een lichtsignaal
het snelste signaal is dat ons ten dienste staat om gegevens te verkrijgen
betreffende gebeurtenissen die op een afstand van ons plaatsvinden. Tot
veler verrassing bleek uit steeds meer experimenten dat de lichtsnelheid
altijd dezelfde grote, maar niettemin eindige, waarde heeft van 300.000
km. per seconde.
Einstein trok hieruit de conclusie dat dit altijd zo is, onafhankelijk
is van de bewegingstoestand van de bron van de lichtsignalen en van die
van de meetapparatuur.
Op grond van deze overwegingen publiceerde hij in 1905 de Speciale relativiteitstheorie.
Een van de uitkomsten van de theorie was dat ten gevolge van de eindige
en, in de lege ruimte, altijd dezelfde lichtsnelheid, de afstand en het
tijdsverschil tussen twee gebeurtenissen, zoals die gemeten worden door
twee waarnemers die zich ten opzichte van deze gebeurtenissen met onderscheiden
eenparige snelheid bewegen, voor deze twee waarnemers verschillende waarden
moeten vertonen.
Einsteins jarenlange worsteling om, tenslotte onder toepassing van reeds
vele jaren eerder gepubliceerde zuiver wiskundige ontwikkelingen, tot
zijn veel omvattender algemene relativiteitstheorie te komen, bracht
hem ertoe zijn zuiver positivistisch standpunt (uitgaand van de zinlijke
werkelijkheid met zijn wetmatige afgeleiden) van 1905 te verlaten en
meer gewicht toe te kennen aan de vrije vindingen van de menselijke geest.
Hij omschreef in 1949 zijn positie als zovel realistisch-positivistisch
als idealistisch. Hij was tot de overtuiging gekomen dat in de algemene
relativiteitstheorie de wiskunde zich niet - volgens positivistische
opvatting - als het ware vanzelf, als een zo elegant mogelijke samenvatting
van experimentele feiten aanbiedt, wat naar zijn opvatting in 1905 nog
wel van de formulering van de speciale relativiteitstheorie kon worden
gezegd.
Dit betekent dus dat Einstein ten slotte tot de overtuiging was gekomen
dat de relativiteitstheorietie niet slechts adequate wiskundige samenvattingen
zijn van een groot aantal experimentele feiten, maar dat zij in feite
iets wezenlijks tot uitdrukking brengen over de werkelijkheid waarin
wij ons bevinden.
Het idee dat de tijd zelf kon worden gedefinieerd als een vierde dimensie
werd algemeen aanvaard na 1919, tegelijkertijd met de vulgarisering van
de relativiteitstheorie.
In Einsteins algemene relativiteitstheorie voegde de tijd bij de drie
bekende ruimtelijke dimensies in een vierdimensionaal tijd-ruimte continuüm
Dat wil zeggen dat tijd de vierde co-ordinaat is in een ruimte. Een gebeurtenis
zoals het oplichten van een lichtbron binnen een gegeven tijd en plaats
kan gedefinieerd worden door vier co-ordinaten: x, y, z en t waarbij
x,y en z staan voor de co-ordinaten van de plaats en de vierde co-ordinaat,
t, verteld het tijdstip van zijn verschijnen.
Het was in feite de relativiteitstheorie, die een einde maakte aan de
populaire gefascineerdheid voor een vierde ruimtelijke dimensie. Tegen
de dertiger jaren had het publiek de veel gemakkelijker te begrijpen
interpretatie van de vierde dimensie als tijd alleen aangenomen, een
gezichtspunt dat het denken over dit onderwerp tot op heden bepaalt.
THEO VAN DOESBURG
Het jaar 1918 was voor de Nederlandse kunstenaar en architect Theo van
Doesburg, wat betreft de ontwikkeling van zijn ideeen over de vierde
dimensie en de kennisname van de relativiteitstheorie, een belangrijk
jaar. Samen met Piet Mondriaan voerde Van Doesburg gedurende de jaren
1917 en 1918 een correspondentie over het onderwerp van de vierde dimensie
en poogden ze in hun schilderijen een bijkomende dimensie op te roepen
door ruimtelijke aanwijzingen te laten fluctueren overeenkomstig aan
die in het kubisme. Maar, omdat de twee schilders beiden strak vasthielden
aan het principe van vlakheid in het moderne schilderen, verlieten ze
toch uiteindelijk de tweeslachtige ruimte van het cubisme ten behoeve
van een strikt tweedimensionaal vierkantennet.
Mondriaan gaf in 1918 zijn actieve pogingen op om een vierde dimensie
in het schilderen te vinden, hoewel hij in zijn essay 'natuurlijke en
abstrakte werkelijkheid' uit 1919, nog steeds stelt: "Het idee van
de vierde dimensie toont zich zelf in de nieuwe kunst, door de totale
of gedeeltelijke vernietiging van de driedimensionale of natuurlijke
orde, en door de constructie van nieuwe plasticiteit, die in overeenstemming
is met een minder beperkte kijk op de dingen"
Voor Van Doesburg blijkt het lezen van het opstel van Ubink getiteld
'de vierde afmeting' een stimulerende invloed te hebben gehad. In de
studie van Ubink treffen we een heldere beschrijving en uitleg aan van
allerlei zaken uit de theorieën van Hinton. Ubink spreekt uitvoerig
over de doorgang van de vierdimensionale kubus door de driedimensionale
waarnemingsruimte, en heeft het ook over Hintons hulpmiddel om deze doorgang
inzichtelijk te maken, door middel van kleuren en kleurveranderingen
van de driedimensionale doorsnede van de hyperkubus bij deze doorgang.
Hij onderstreept dat de vier- en meerdimensionale wiskunde slechts gedachteconstructie
is, 'hersenschimmig'. Hij zegt dat het niet uit te sluiten is dat de
driedimensionale waarnemingsruimte in feite de projectie is van een vierdimensionale
wereld. Wij zouden leven, volgens hem, in een eeuwig, onveranderlijk,
vierdimensionaal heelal.
De eindeloze wisselingen, die wij ervan waarnemen, zouden dan niets anders
zijn dan steeds andere driedimensionale doorsneden.
Nadat, vanaf 1920, Einsteins relativiteitstheorie sterk in de belangstelling
waren geraakt, besteedde Van Doesburg meer en meer aandacht aan de aanschouwingsvorm
tijd.
Hij schreef daarover: "Het leven is niet anders te kennen dan volgens
de van het bewustzijn, samengesteld uit de onbeperkte, oneindige opeenvolging
van beelden, waarin tijd en ruimte slechts menselijke willekeurige onderbrekingen
zijn'. De realiteit bestaat dus niet maar ontstaat tegelijk met de bewustzijnsinhoud.
We zien dus dat Van Doesburg, die voor 1920 geheel in de lijn van de
negentiende-eeuwse 'hyperruimte-filosofie' vierdimensionaliteit uitsluitend
zag als een na te streven uitbreiding van de mogelijkheden van het menselijk
bewustzijn aangaande de ruimte, in 1921 ideeën begon te verwerken,
die ontleend waren aan de relativiteitstheorie. Het is niet onmogelijk
dat zijn belangstelling voor deze zaken mede is gestimuleerd door zijn
ontmoeting met El Lissitzky, een Russische constructivist, in Berlijn
in januari 1922.Ook bij Lissitzky kan men een vergelijkbare overgang
constateren van een uitsluitend ruimtelijk opgevatte vierde dimensie,
naar een waarbij de tijd, op de een of andere wijze de vierde dimensie
vormt. Je moet echter bedenken dat er tussen de opvattingen van beide
kunstenaars een groot verschil kan worden vastgesteld. Lissitzky zag
een duidelijk onderscheid tussen een aan de drie ruimtelijke dimensies
toegevoegde tijd-dimensie en een puur ruimtelijke vierde dimensie. Van
Doesburg zag dat onderscheid niet zo scherp en vermengde op een bevreemdende
manier deze twee gegevens in zijn publicaties. Na verloop van tijd ging
Van Doesburg zich steeds meer en meer richten op de architectuur. Hij
ontwikkelde nieuwe ideeën met betrekking tot de architectuur met
behulp van theorieën over de vierde dimensie die hij later benoemde
als het elementarisme. Dit hield in dat zijn nieuwe architectuur geen
bepaalde gerichtheid had, geen duidelijk gevoel voor links of rechts
en beneden of boven. Deze begrippen kunnen worden teruggevoerd tot de
argumenten van Hinton om de 'zelfelementen' in de waarneming uit te bannen
als eerste stap op weg naar het in goede banen leiden van iemands 'ruimtegevoel'.
Toen Van Doesburg omstreeks 1924 er in geslaagd was om een dynamische
expressie te geven aan de vierde dimensie in de architectuur, begon de
uitgebalanceerde wereld van verticale en horizontale vlakken uit de neoplastische
schilderkunst hem uitzonderlijk statisch toe te schijnen. Hij begon in
zijn architectuur en zijn schilderijen de 45 graden-diagonaal te gebruiken
als symbool van de vierde dimensie. Van Doesburg bevestigde zijn eigen
identificatie van de diagonaal met de vierde dimensie door Hintons hyperkubus
een hoek van 45 graden te laten maken in een tekening die de titel had:
'Een nieuwe dimensie dringt door tot ons wetenschappelijk en plastisch
bewustzijn.
In het concretiseren van zijn elementarisme zegt hij dat de diagonaal
daarin ook een geestelijke betekenis heeft. Van Doesburg schrijft: "Daarom
is elementarisme het meest pure en tegelijkertijd meest directe uitdrukkingsmiddel
van de menselijke geest, die links noch rechts erkent, noch symmetrie,
of statica, noch het alleen horizontale/verticale, maar als altijd tegendraads,
weerspannig jegens de natuur".
Dit streven naar een zweven, vrij van zwaartekracht, naar een aan alle
kanten gelijkwaardige constructie, wordt door Van Doesburg nog extra
onderstreept doordat hij in de tekeningen van die constructies gebruik
maakt van het axonometrische- of vogelvluchtperspectief. Dit is een perspectief
waarbij je, b.v. bij een huis, eerst de plattegrond tekent 45 graden
gekanteld en dan de tekening ruimtelijk maakt door vanuit die plattegrond
verticaal omhoog lijnen te trekken tot op 2/3 van de werkelijke (schaal)grootte.
Door op deze wijze een huis van bovenaf en van onderaf, telkens vanuit
vier punten af te beelden, roept hij als vanzelf een indruk van zweven
op.
Van Doesburgs streven naar het zwevende hing samen met zijn opvatting
dat de ontwikkeling van de geest van de mensheid er een is tegen de natuur
in.
Het steun en last (of trek en druk) principe van de oude bouwwijze diende
verlaten te worden. Dat was namelijk nog te veel op de wijze der natuur.
Al het natuurlijke kon, volgens hem, ten slotte worden gekarakteriseerd
door de verbinding horizontaal/vertikaal.
Deze overtuiging dat men moet zien te komen tot een contrast tussen de
menselijke cultuur en de natuur, tussen het zwaartekrachtloze en vrije,
aan de ene kant, en het natuurlijke, aan de zwaartekracht gebonden, op
steun en last gebaseerde, van het horizontale/verticale, aan de andere
kant, werkte hij ook uit voor de schilderkunst.
Van Doesburg schrijft: "Met het idee van een 'polariteit' (tegenstelling)
ten opzichte van de natuur wordt getracht een aanduiding te geven van
datgene wat zich beeldend door het schuine (ten opzichte der natuurlijke
en architectonische struktuur) onevenwichtig uitdrukt". Het nieuwe
schilderen moet zich opstellen tegen een homogeen samengaan met het organisch-natuurlijke.
Deze homogeniteit (gelijkslachtigheid) nu drukte zich door het uitsluitend
horizontaal/vertikaal bepaalde schilderij uit.
Bij het contrast-schilderij (contra-compositie) is de uitbreiding van
het kleurvlak en lijn tegen de natuurlijke en architectonische structuur
in, d.w.z. met de laatste in contrast.
Op het laatst werd de vierdimensionaliteit van Van Doesburgs schilderijen
voornamelijk symbolisch. Zijn architectonische projecten waren dichter
gekomen bij een totstandbrenging van een dynamisch equivalent van Einsteins
tijd-ruimte concept. Een dergelijk effect was natuurlijk veel moeilijker
te bereiken op het doek.
EL LISSITZKY (1890-1941)
In 1919-1921 creëerde Lissitzky zijn Prounen (vertaald: ontwerpen
ter bevestiging van het nieuwe). Dit zijn axonometrische afbeeldingen
van in vorm variërende geometrische lichamen die in evenwicht zijn,
soms rustend op een stevige basis, soms als het ware zwevend in een kosmische
ruimte. Deze composities kunnen nog het best gezien worden als loodrechte
projecties van plastische elementen in een onbegrensde ruimte.
Hoewel Lissitzky tegen 1924 de vierde dimensie alleen als tijd zou interpreteren,
deelde hij eerst Van Doesburgs gezichtspunt van Einsteins tijdruimte
wereld bij wijze van uitbreiding van vroeger artistiek geloof in een
vierde ruimtelijke dimensie. Ten gevolge daarvan drukken zijn Prounen
terwijl Lissitzky toch zeer vaak solide geometrische vormen op zijn doeken
schilderde in plaats van Malevich's platte vlakken - dezelfde oneindige
ruimte uit, en ook het vrij zijn van zwaartekracht en speciale gerichtheid,
die doel waren geweest van Malevich.
In het licht van Einsteins theorieën die ook in Rusland toegankelijk
waren, zelfs voor de revolutie al, en het feit dat deze vanaf 1919 ontzettend
populair waren, is het waarschijnlijk dat ook Lissitzky aan de oneindige
ruimte van zijn Prouns dacht, in analogie met Einsteins theorieën.
In deze gerelativeerde visie verschilde hij met Malevich, die geloofde
in een absolute 'verzamelplaats' van oneindige, witte ruimten, waaraan
hij zijn objectloze vormen toevoegde.
In een Proun daarentegen zijn het de complexe onderlinge relaties tussen
Lissitzky's dynamische vormen, die de ruimte bepalen. Vaak onmogelijke
overlappingen en raakvlakken, als ook de tendens die vormen hebben naar
voren en naar achteren heen en weer te bewegen, suggereren dat alleen
een meer-dimensionale ruimte dergelijke tegenstrijdigheden kan omvatten.
Evenals Van Doesburg was Lissitzky ook architect en verwerkte ook daarin
zijn ideeën over de vierde dimensie. Hij beschouwde de Prounen als
een overstapstation op de route van schilderkunst naar architectuur.
AL HELD (1928)
De Amerikaanse kunstenaar Al Held maakt in zijn schilderijen ook gebruik
van deze tegenstrijdigheden, of "het idee van conflict", zoals
hij dat noemt. Helds schilderijen zijn zeer groot, zo groot zelfs dat
je van een flinke afstand het schilderij nog niet kan overzien. Daarom
wordt vaak je aandacht gericht op details, waardoor het gevoel van een
oneindige ruimte nog eens benadrukt wordt.
Held maakt veel gebruik van het necker-effect waardoor je de vormen in
zijn schilderijen op twee manieren kunt interpreteren. Er zijn grote
overeenkomsten met de Prounen van El Lissitzky (en zeker ook met het
werk van Jozef Albers, maar dit is nu niet relevant). Dezelfde dynamische
vormen spelen een hoofdrol. Het gebruik maken van een lijnvoering samen
met vlakken, de onmogelijke overlappingen, het necker-effect en het creëren
van een oneindige ruimte. Groot verschil is het formaat. Held maakt gebruik
van de fysieke kracht van een groot formaat waardoor het geheel nog dynamischer
wordt en de ruimte in het schilderij nog meer benadrukt wordt. Ook beeldt
Held vaak onderdelen af van grotere vormen die buiten het schilderij
doorlopen. Je krijgt vaak de indruk dat de vormen op een natuurlijk organische
manier ontstaan zijn, zoals kristallen maar dan zonder symmetrie.
Transparantie en volume wisselen elkaar op zodanige wijze af dat er toch
een homogeen geheel ontstaat.
Je kunt bijna geen systeem ontdekken in het schilderen van Held of het
moeten de altijd aanwezige overlappingen zijn van geometrische vormen
waardoor er een achter- en een voorgrond ontstaat.
Alle hulpmiddelen die er zijn om ruimtelijkheid te suggereren gebruikt
hij. Perspectief, verschillende lijnvoeringen, gebruik van licht en donker,
ruimtewerking van kleur an sich en diapositiviteit. Daardoor ontstaat
er in zijn schilderijen een contradictionaire ruimtelijkheid die alleen
verklaard kan worden door een vierde ruimtelijke dimensie.